Overzicht
Stefan Snijders Hallo, Isis
Stefan Snijders Eén zo’n vleugel
Stefan Snijders Barpraat
Stefan Snijders Gedrost
Stefan Snijders Straat
Stefan Snijders Tweetalig
Stefan Snijders Schemersmoor
Stefan Snijders De nacht van een eeuw
Stefan Snijders De ridder zonder orde
Stefan Snijders Logboek
Stefan Snijders Onder dons
Stefan Snijders Restensted
Stefan Snijders Tien kraaien, één zwaluw
Stefan Snijders Als elk jaar
Stefan Snijders Als je rechtsom keert
  Stefan Snijders Café Lust & Afgunst
Stefan Snijders Dag nacht
Stefan Snijders De lipstick
Stefan Snijders De man met vragen
Stefan Snijders De stad van de zomer
Stefan Snijders De stoel
Stefan Snijders De visser
Stefan Snijders Het soldaatje
Stefan Snijders Kleerscheuren
Stefan Snijders Langs het jaagpad
Stefan Snijders Over wegen
Stefan Snijders Wachten i/h blauwe huis
Stefan Snijders De vorm van de zaal
Stefan Snijders Drie plus drie
Stefan Snijders Pokerface
  Stefan Snijders Stempels
Stefan Snijders Windwonderland
Stefan Snijders Zandloper
 
Hallo, Isis

vanavond duik ik op, beblost,
met mijn schouder aan de deurpost
van de keuken – mijn schoenen onvergeten
voor de drempel op het voetkleed

daar ruik ik diep voorover, vang
voor ze de kruiden van de plank schuift
nog juist haar shampoo, plus haar kus
vanuit de nu beslagen ruit

ze heeft mijn stille vraag vernomen
(wat als ik niet was gekomen?)
en lacht dat ik me telkens weer verstop
‘maar vanavond duik je altijd ergens op’
  Eén zo'n vleugel

… of toen je schoenen voor mij kocht in Praag
zomaar zo’n gedachte vandaag
bij het staan
en zonder dat ik het vraag
geef je mij de cola aan
dan wijs je naar een zwaan

wie mist zo’n grote vogel nou?
wie ziet niet hoe een kever sjouwt?
dat was ik
toen zag ik jou
nu kost het slechts een halve blik
voordat ik van de wereld schrik

terug naar overzicht
Barpraat

De tochtwind draagt een overjas onder de dorpel door
en bladert even door de krant die op de tafel ligt.
Het vacuüm van stilte duwt de deur algauw weer dicht.
De ruggen aan de toog, ze ondergaan het ongestoord.

De gast wikkelt zijn sjaal af, werpt de krant een vuil gezicht.
en met een luid ‘attentie’ vraagt hij daarna om het woord,
tikt zijn plupunt op de vloer, zodat iedereen hem hoort.
Hij wijst streng met een vinger naar een aselect bericht.
  ‘Dit nieuws is oud, verlopen, zie die datum daar nu staan!
Is geen van jullie allen met het wereldleed begaan?’
Zo krijgt hij dan de aandacht waar hij eerder al om vroeg.

‘Wat er in die krant staat, interesseert ons echt geen zier.
Als een woord een foto nodig heeft, zegt het niet genoeg,
dan zeg ik: zwijg maar liever, neem een slokje van je bier.’

terug naar overzicht
Gedrost

met een stanleymes
een keukentrap
snijdt hij een scheur
en kruipt hij rap
door het hemeldoek
en om de hoek
vindt hij een stoel
pantoffels
thee een krantje

daar zit hij nu
languitgezakt
met zijn voeten
warm ingepakt
en heel heel soms
denkt hij aan ons
en gluurt hij
om het randje
  Tweetalig

1.
come up cock, what is air miss?
coke the ain’t, off buck fillet
an ulcer need mere is
stop air than weir may  

2.
mine auto is stuck-out
high right oak need mere
roost up elk about
an overall sit smear

terug naar overzicht
Straat

De jongen houdt zijn vuist
stevig om een kluitje zand
Een meisje steekt haar tong uit
Ze trekt hem aan zijn oor
Ze hoop dat hij gaat gooien
maar dat heeft het jong niet door

Een man springt uit een auto
met twaalf bloemen in zijn hand
Hij schreeuwt naar het balkon
bij de woning van Yvon
maar die komt niet naar buiten
hoe graag de man ook wil
Yvon wrijft langs haar jukbeen
draagt een grote zonnebril
  De vrouw op nummer zeven
gaat de planten water geven
Ze fluit naar haar seringen
en steeds als er een ontluikt
voelt ze lichte tintelingen
maakt haar hart een kleine duik

… en aan het einde van de straat
staat een orgelman die praat
in zichzelf
dat niet ieder liedje
over liefde gaat

terug naar overzicht
Schemersmoor

buiten staat een man.
hij plukt een pluisje
van zijn kraag,
want de zon staat laag,
vandaag
begint het najaar.
daarvan weet hij al:
vocht in zijn vuisten,
en zijn maag:
een kruis en een huis,
of pels
verzwaard met luizen.
  zat hij op een blad,
net zoals de wants,
dan,
dan,
dan
spleet hij het water.
                en hij splijt het water,
dwars door de stad,
met pronte kin.

buiten loopt een man;
koning,
tot aan het tuinpad.

terug naar overzicht
De nacht van een eeuw

en als we onze adem delen
zwijgend zingen voor elkaar
met vingertoppen strelend
spelend in majeur, aldaar

zucht het glooiend linnen
als één huid om ons twee
de regels en de zinnen
en alle woorden mee

en als we onze adem delen
  De ridder zonder orde

hij won het van de wind
met de voordeur in het slot
de postbus en de telefoon
nauwlettend onder schot

en hij had iedere prent verslagen
die hij van zijn ouders kreeg
behalve foto’s van het kind
dat na scheuren nog niet zweeg

ja hij vocht verwoed, ofschoon
de strijd nooit naar zijn hand
want al kon hij tijd verjagen
de muren hielden stand

terug naar overzicht
Logboek

hij kerfde in zijn glazen globe
elke zee waar hij op vaarde
golven veel te hoog voor hoop
de dagen dat de hemel klaarde

al trek je ooit de trossen aan
het schip wiegt met het water mee
en al blijf je op de kade staan
voor altijd ruist de zee

hij waande zich op ’t wiegend dek
toen hij naar de tekens staarde
sprak: de wereld is de mooiste plek
op deze godverdomde aarde
  Onder dons

als een schelp vertelt
van diepe oceanen
en verre zeeën
delen wij het leven
voorhoofd op voorhoofd
met z’n tweeën

want wij zijn de kaarten
het kompas en de atlas
en de wereld bestaat
niet voorbij ons matras

en voordat ik zeg
hoorde je hoe mooi
die merel daar zong
zucht je de woorden
met een glimlach
van mijn tong

terug naar overzicht
Restensted

er is een kust op de kaap
daar broeden vliegende vissen
op hun nest van zeewier
onder schelpen daken
ja, daar waar de banaan
haar scheve baantjes zwemt
en zelfs de laatste hongerlijer
zo vol zit als de amsterdamse tram
ja, daar waar agossie
en de tering samen lachen
in de hemel die door bloeiende
bomen is ingepalmd
  ja, daar waar kom toch hier
door de straten galmt
omdat spinnen
er geen nesten raggen
er is een kust op de kaap
ik hoop dat ik er ooit kom
samen met jou, aan die kust
alleen klinkt het zo krom

terug naar overzicht
Tien kraaien en een zwaluw

als je maar kan jagen
dromen kost een zucht
de prijs van alle dagen
de vogels in de lucht

hij zwaaide als een octopus
toen hij een buurvrouw zag
en snelde naar zijn brievenbus
voor de derde maal die dag

ja, als je durft te zweven
kan je dansen op de rand
en hoef je niet te leven
met veren in de hand
  Als elk jaar

ik leg opa over oom Rene
mijn broers en zus terzij’
die met mijn ouders allebei
knip ik eerst in twee

de tijd dwingt mij verwoed te ramen
als een monnik vastgebeten
ik schuif de plaatjes, vink de namen
en lieg me voor: mijn ogen zweten

de stapels: bijna even groot
maar als ik morgen al ouder wordt
kwam ik misschien tijd te kort
dit jaar ging niemand dood

terug naar overzicht
Als je rechtsom keert

hij draaide zijn gezicht de wind in
om zijn schouders wat te rechten
en rook de zware ademlucht
van de wolven in ‘t gevolg

toen golven van verbijstering
braken aan zijn voeten
op de rand van d’ jaloezie
de oevers van de moeite

trok hij zijn aureool omlaag
tot om zijn nek, als een strop
  Cafe Lust & Afgunst

Hij trok de bel -en
zo ook de ogen
van mijn metgazelle
aan de toog

Zijn borst nog strak
zijn tanden wit
in ‘n duurder pak
van beter snit

Haar borsten zacht
en billen dik
haar schaamte loos
bij elke blik

Maar stilte viel
over de kroeg
toen ik die zalm
een bloedneus sloeg

terug naar overzicht
Dag nacht

draai de plaatjes
voor je eigen rust
straks
als ik de mijne kus

en hef een glas
op wat ik bracht
later
als ik was

al lijk ik nu
een reden om te grijpen
dat is pas zo
als ik hier blijf

dus
hang straks bloesem
aan de takken
en laat je tranen
met mij zakken
  De lipstick

het avondmaal
ging best alleen
niet optimaal
edoch sereen

zo ook de was
zelfs sneller klaar
en géén waterplas -meer
door doucheputhaar

géén harteblok
meer aan mijn been
ontdaan van wrok
de tijd doorheen

ja, zonder snik
hield ik het zowaar
tot die lipstick
op het dressoir

terug naar overzicht
De man met vragen

hoe hard waait de wind
’s nachts dacht hij
want hij zag de zeilen niet
bollen in het donker
 
en hijsend aan zijn sigaret
de rook zou nu zelfs kunnen dalen
 
maakt het uit hoe snel ik vaar
als de richting is verloren
en de brug naar morgen
niet meer leidt tot ochtendgloren

en hijsend aan zijn sigaret
trachtte hij koers te bepalen
  De stad van de zomer

Ik vlucht voor de vlammen
ze slaan uit de daken
het is mij te warm
in de stad van de zomer

om op het vlakke land
een beek te vinden
of een sloot, waarin de liefde
kan verdrinken

daar zal ik de fruitbomen kappen
voor ze vruchten
werpen en de wind
hun zaden verder tilt

tenzij ze als een veertje
zacht mijn lippen streelt
dan keer ik bij de poort
net als vorige keer

terug naar overzicht
De stoel

ik zie nog steeds hoe hij daar zat
niet minder echt
dan het kussen plat
of de krassen van de kat

en ik ruik nog steeds uit het fluweel
zijn peerlikeur
met talg cocktail
al rook ik sedert veel te veel

zo heb ik meer
dan een kromme veer
of versleten hoek

doet het géén deer
dat hij is verweerd
en bij mijn kamer vloekt
  De visser

Hij ging zitten op het bankje
waar ik had willen sterven
zonder een blik
op de kade en de werven

op de torens aan de einder
kerken, huizen, straten, dreven
buiten de stadse zorgen
over hen, die daar leven

Hij liet de vroege wolken rood
zoals ze elke morgen waren
ook de fluitzang van de vogels
waterplanten, bloem, boom, varen

Moeders eerste schets
mocht zijn oog niet strelen
hij wierp zijn lijnen uit
alsof het hem niets kon schelen

terug naar overzicht
Het soldaatje

dat hij rookt zou erg zijn
als hij mijn zoon was
geadopteerd, of niet

dat geldt ook voor zijn drankgebruik
zijn stoere alias
zijn stem in ’t strijdlied

en de vrouwen zoveel ouder
of jonger en van angst geplast
die hij niet ontziet

maar wat weet hij nou
met zijn legerjas
en kluitje in het riet

behalve schieten?
  Kleerscheuren

hij snijdt haar lentejurk
van schemerzijde
plooiloos en met zwijgmotief
een sluier voor beiden

waar de maan in tranen
weerglanst
wijl hij de passen leidt
haar benen moedanst

hij verstikt haar
zij kijkt mank van moed
zijn schouder langs
morgen komt het goed

terug naar overzicht
Langs het jaagpad

waar zij futennesten telde
haar rok met nevelflarden
walste en haar blos
d' bloemen bloeien leerde

zij zong met het hoefblad
en de egels over streken
van de winterkoning
op een wijsje fluitenkruid

waar de zonnedauw vertelde
hoe zoet de boterbloem
de vlinders voedt
in de schaduw van het riet

en waar de wereld zweeg
als het wiegen van de wilgen
toen zij gevonden werd
een dag na haar slip
  Over wegen

was het takje een symbool
dat door zijn wangen dreef
en zo spietste zijn idool
hij die ooit gedichten schreef
voor het blaadje van de school
tot hij liever zitten bleef

hij zocht naar de bruggen
die hem daar hadden gebracht
de stegen en de ruggen
verdronken in de nacht
maar als je hebt gevaren
en je schepen al verbrand
verdwijnt ook met de jaren
de weg naar ’t vaste land

ja, het water zette hem te kijk
trok langs en laag voor laag
zijn zoden van de dijk

en zo, met zijn leven in de waag
al trekkend aan zijn pijp
vertrok hij in zijn kraag

terug naar overzicht
Wachten in het blauwe huis

de klank van zijn sleutels
- zij slaat een kruis -
en hij roept: ik ben er
maar niemand is thuis

bij het zien van zijn ogen
slikt zij: ben ik je vrouw
ze plukt aan haar haren
het huis is te blauw

bestek knarst op borden
zij delen het zout
en slikken in zwijgen
doch spreken is goud
  bij de twee lege pannen
slikt zij: is dit het nou
en bijt op haar nagels
het huis is te blauw

de hemel wordt duister
- de greep van de nacht -
ze ontsteekt de schemer
doet voor dat ze lacht

bij de rust van zijn adem
slikt zij: hoor ik bij jou
en trekt aan de lakens
het huis is te blauw

terug naar overzicht
De vorm van de zaal

ik

spreek vrede zonder vijfhoek
of moraal uit een ovaal
de vorm van de zaal
levert alleen kletskoek

bleke belangenpraat
bombereik
en de velden van de sjeik
omdat daar geen biljartspel staat
  Drie plus drie

de goden grapten
van de christenjoekel
de islamlap
en de jodenmop

maar het meisje maakte sommen
drie plus drie
zij was pas zes

tel maar op

de kralenklappen
vingertikken
en barsten in ’t telraam
kraken toch eenieder open

terug naar overzicht
Pokerface

Ik heb het altijd goed geboerd
misschien wat minder bij de vrouwen
maar ik ben koning van mijzelf
en ik aas op je vertrouwen

Ik zie een ruiter met een zeis staan
maar ik zal niet op de schop gaan
er groeit een klaver uit mijn hart
en fier, speel ik hem uit

dan hoor ik bellen rinkelen aan de muts van tante Joke
en ga ik de grote straat op, om een sigaret te roken
  Stempels

zie ik daar helden slenteren
met hun kronieken hoog
boven ‘t hoofd gedragen

door woestijnen, woestenijen
het westen en alle andere
woesten die graag klagen

over grenzen en wensen
de vorm van een bol
en de telling van de dagen

dan heb ik liever de stempels
gedrukt, geperst of gegoten
die niet worden geslagen

terug naar overzicht
Windwonderland

Ik druk de witte sprieten plat
op naar de berg van albast
terwijl ik klokjes pluk
en als een kind
blaadjes teken in de wind

Ik fluit een lied op pijpenstelen
als de eekhoorns met mij spelen
zie ik nootjes op de berg
en terwijl ik klim
zing ‘k voor hen in de wind

wij drinken rechtstreeks uit de beek
waarvan het ijs nooit hoeft te breken
omdat wij nooit zijn neergestreken
zonder wind t’ hebben getekend
  Zandloper

Ik voel het zand zacht
tussen, tegen, tenen
spelend met het spil
van vrienden die verdwenen
probeer ik stil een lach

Teken letters, lijnen
nummers naast de namen
een lijst die langer wordt
ik cirkel hen tezamen
om nimmer te verdwijnen

Zo kom ik altijd terug
als de engelen weer tranen
speel ik met het spil
en vat het leven samen
met diepe, zachte zucht