04.40

Nog voor de dag dauw droeg,
voor mensen veel te vroeg,
ontwaakte een kip
in het knusse kippenhok.

Ze porde - als vaker - haar man in z'n zij
en zei: 'tok', ergo: je moet op!
kom van je stok af jij!

En de haan werd even wakker
voor een geeuw en een gaap,
maar voordat hij kon kraaien,
kukelde hij weer in slaap.


06.44

Het meisje bij de bakker
zei 'ik droom vaak van schapen
en dan word ik tellend wakker.'

Ik vroeg een half volkoren
als het even kan gesneden.

Ze zei, 'als ik dan doortel
val ik heus wel weer in slaap.
Dat gaat zelfs erg makkelijk,
meestal rond het derde schaap.'

Ik vroeg een half volkoren
als het even kan gesneden.


06.48

de haan kraait
en dat is zielig voor de kraai
want de kraai kraait ook al
en daarom krijst de kraai
maar de haan kan hem niet verstaan
dus blijft de kraai met lege handen staan


09.14

Mijn buurvrouw heeft een beer
met enorm veel danstalent,
maar als je denkt dat hij mag dansen,
denk ik dat je mijn buurvrouw nog niet kent.

Dat vindt ze zielig voor het dier.
'Het is barbaars en uit de tijd!'
zo schreeuwt ze door de straat
als ze rondjes op hem rijdt.


--.--

Het is niet echt belangrijk,
het hoeft niet in de krant.
Ik kan laten het te zeggen,
want er is niets aan de hand.

Nou, het gaat over mijzelf,
dan ben ik meestal wat bedacht,
want als een ander het bedenkt
is het vaak niet wat je verwacht.

Maar het is niet zo belangrijk,
ik denk ook niet dat het beklijft.
Dus ik zal nu verder zwijgen,
als je nog even bij me blijft.




Droeventros

ik schreef je naam op een vel
buiten scheen de zon
dus ik opende het raam

al snel tilde de wind je op
- mystiek als een fakir op een tapijt -
en daar vloog je over de tuin
waar ik droevenstokken kweek

terwijl ik je nakeek
(een hand over mijn ogen streek)
vergeelde het papier
en de letters werden bleek



De scherts

de parade trekt
door de façades
langs hofjes en huisjes
want de nar steekt
kruizen aan, in de stegen
zonder lantaarn

en uit de ramen hangen mensen
met een lach op hun gezicht
tot het slot van de vertoning
dan dooft opnieuw het licht




Aardbeiplantjes

ik zie haar in de tuin staan
als ik de condens wis
(des te meer ik adem
te minder zij er is)

ze plukt dahlia’s
ziet voor het eerst
haar aardbeiplantjes
en ik klink mijn glas
op de ruit naar het verleden

maar vaak wil ik
- alleen -
dat alles net zo slijt
als de stoel die ze kocht
(dat lelijke ding in de schuur)




Welkom

als ik mijn huis was
zou er dan iemand in wonen
met molshopen in de tuin
en luiken tegen de zon

of een bordje ‘welkom’
op de deur slaan
een vlag laten waaien
uit de houder aan ’t balkon

en zou iemand zoals jij dan
blijven staan, door het raam
naar binnen turen
of schuwend doorlopen
net als de buren



Zomaarnacht

en ik wankel
over de onverlichte
weg van woede
door de nacht

ik zie mijn voeten niet
en hoor de stem
niet meer
die mij hier bracht

een bazuin beklinkt
schel de jacht
een wolf zit
huilend voor de maan

er lopen paden
– verraderlijk – weg
maar ik kom hier
niet vandaan

ik woed door
al mijn woede
terwijl ik wacht op
zomaar een dag






De beeltenis

ik knielde bij de rimpels
gaaf als kringen op een plas
een kraaienpoot
die lusjes in mijn vloerkleed
had gekrabd
een litteken - ver vervaagt -
lag amper zichtbaar
op het dressoir
(gemakkelijk te verwarren
met mijn eigen grijze haar)

en langs de wand omhoog
zag ik het stoffige lijstje
- de deur naar een witte muur -
met de beeltenis van een meisje
op een verstreken uur

ik raapte alle tekenen
uit het platgestapt tapijt
en heb ze stuk voor stuk
op de foto teruggelijmd
die ik ophing in de schaduw
waar het zonlicht haar niet slijt





Oud nieuws

in de krant staat
dat ik weinig waard ben
de kopregel luidt: man overboord
het artikel is geïllustreerd
met een grafiek - en
dat was best een goed idee
maar ik heb het al gehoord
ik heb de onschuld vermoord
draag zijn tragiek
op mijn schouders mee

en starend naar de rug
van de tiener die bezorgt
zal ik weer liegen tegen mijn vrouw
zeggen 'vergist in het huis'
als zij vraagt 'wie was dat nou'





Over een gans

'kijk naar links'
zei ik
de gans schudde zijn veren
wagens schoten langs
hij schrok van het verkeer

'kijk naar rechts'
riep ik
nauwelijks hoorbaar
door het geraas
hij reageerde met geblaas

op de stoep aan de overkant
wachtte voldoening
met een zomerjack aan
maar de gans bleef staan

ik liet zijn hand
ben in mijn eentje gegaan




Een gedicht over mijn linkerschoen

ik maakte ooit
een zonnebril
gaf hem aan de zon
zodat de ploert inzag
wat hij met zijn stralen kon

dat men zijn dagen
liever licht draagt
dan te zwalken
onder eigen gewicht

en vroeg hem nooit meer
onder te gaan

hij antwoordde dat nooit te doen
noch ooit te hebben gedaan
en wijzend naar mijn linkerschoen
zei hij ‘ik ben ook de maan’






De planoloog

het was zó stil
dat zijn jasje hoorbaar kreukte
toen zijn hand een hectare
of anderhalf beschreef
en tot hij zei
‘dit is de woonplek van de toekomst’
en in zijn handen wreef

hij was het eens met de merels
de mussen en de uilen
in hun nesten, in de iepen
en de torren en de muizen
die aan hun voeten liepen




gedachten, die meer dan vluchtig wilden zijn ….